Het publieke gesprek is van groot belang voor de democratie, maar is in het tijdperk van sociale media, digitale platformen en AI onder druk komen te staan. Waar de komst van het internet ooit werd verwelkomd als belangrijk middel om een kritisch, inclusief en democratisch publiek debat te verwezenlijken, is de werkelijkheid weerbarstiger. De invloed van traditionele media neemt sterk af, nu niet langer de krant, maar sociale media voor jongeren de voornaamste nieuwsbron zijn.  Algoritmes fungeren als black boxes, waardoor de herkomst én ordening van informatie nauwelijks nog te achterhalen is. De verspreiding van nepnieuws zorgt voor wantrouwen, en onverschilligheid, richting elkaar en de autoriteiten.

Hoe kunnen we ervoor zorgen dat onze openbare uitwisseling van informatie en meningen kritisch, inclusief en betrouwbaar is? Past het klassieke ideaal van een levendige publieke sfeer, waarin meningen getoetst worden en er een uitwisseling van standpunten ontstaat, nog bij deze tijd? Of moeten we de normatieve criteria voor een kritisch publiek debat in het digitale tijdperk herzien?

Onlangs promoveerde ik aan de Universiteit van Amsterdam op een onderzoek naar deze vraag. In mijn proefschrift, getiteld Critical Publicity and Its Epistemic Challenges, concludeer ik dat een gezond publiek debat valt of staat met de manier waarop het gesprek gevoerd wordt. Doorgaans wordt een debat beoordeeld op de vraag wie eraan meedoet, en wat het oplevert. Maar ik beargumenteer dat beiden sterk afhankelijk zijn van ‘het hoe’, ofwel de machinerie, van het publieke debat: hoe wordt het publieke gesprek gevoerd? Op welke manier worden opvattingen met elkaar geconfronteerd, welke rol spelen expertise en informatie in het debat, en hoe wordt bepaald wat überhaupt de onderwerpen zijn?

Door de digitalisering wordt ‘het hoe’ nog meer aan het zicht onttrokken en staat het in toenemende mate onder druk, terwijl juist dat proces bepaalt of een debat echt kritisch is. De kwaliteit ervan valt of staat met de ruimte die er wordt geboden aan controverse, (zelf)reflectie en nieuwe inzichten, en in hoeverre het zich richt op kennisvermeerdering, bijvoorbeeld door het hanteren van deliberatieve criteria.

In mijn proefschrift onderzoek ik ook of nieuwe spelers van buiten de traditionele media – zoals influencers, activisten, en netwerkjournalistiek zoals het collectief Bellingcat – kunnen bijdragen aan een kritisch publiek debat, of daar juist een bedreiging voor zijn. Alle drie laten deze spelers op hun eigen manier het grote belang zien van transparantie, onafhankelijkheid, en kritisch reflecterend vermogen – voor de kwaliteit van het publieke debat, maar daarmee ook voor het voortbestaan, en de verdere versterking, van de huidige liberale democratie.

Ik heb met mijn onderzoek een debat op gang willen brengen over de noodzakelijke mogelijkheidsvoorwaarden voor een robuust, veerkrachtig publiek debat in het digitale tijdperk. Voor wie meer wil lezen: mijn proefschrift is in boekvorm op aanvraag beschikbaar voor 15 euro. Stuur even een mailtje naar info@publieksfilosofie.nl.